Veelgestelde vragen

Index

  1. Hoe registreer/codeer ik de dubbeldiagnose astma/COPD, als ICPC R96 of R95?
  2. Wat zijn de meest geschikte lijsten voor klachten en beperking om bij controles van astma en COPD te gebruiken?
  3. Welke vragenlijst is goed bruikbaar voor casefinding (bij hoestende rokers) in de dagelijkse praktijk?
  4. Vraag over de vragenlijst case-finding COPD: Hoe komt het dat vraag 8: 'Hoest u gewoonlijk slijm (sputum) op zodra u 's morgens wakker wordt?' niet telt? En hoe komt het dat vraag 10: 'Hebt u last (gehad) van een of meer allergien? ook niet telt?

Hoe registreer/codeer ik de dubbeldiagnose astma/COPD, als ICPC R96 of R95?

Bij patiënten ouder dan 40 jaar met kenmerken van astma en COPD is het in de praktijk de vraag welke ICPC codering je toekent. In het onderstaande stukje wordt een voorstel gedaan wanneer gekozen wordt voor astma en wanneer voor COPD en hoe de episode genoemd kan worden.

Uitgangspunt is een patiënt:

  • ouder dan 40 jaar met hoesten,dyspnoe en/of piepen, én
  • met reversibiliteit (toename FEV1 ten opzichte van de waarde voor luchtwegverwijding met > 12% (of bij een kleiner longvolume > 200 ml)*, én
  • met een herhaalde postbronchodilatoire obstructieve longfunctie (FEV1/FVC < 0.7)

Uitgaande van een patiënt die voldoet aan de bovenstaande criteria zijn er twee mogelijkheden:

1. Toekennen van ICPC R96 (Astma) en het aanmaken van een episode 'astma en COPD(component)' bij:

  • astma of allergische rhinitis in de voorgeschiedenis of bij een positieve test op inhalatieallergenen, of
  • het ontbreken van relevante rookhistorie (> 20 jaar roken of > 15 pakjaren).

    Overwegingen. De irreversibele obstructie wordt mogelijk verklaard door onderrapportage of non-compliance van de patiënt of onderdiagnostiek of onderbehandeling door de arts. De kern van de persisterende obstructie is echter de inflammatie welke voortschrijdt en onvoldoende behandeld is. Opgemerkt dient te worden dat bij sommige patiënten met ernstig astma ook bij maximale behandeling irreversibele obstructie kan optreden.

2. Toekennen van ICPC R95 (COPD) en aanmaken van een episode 'COPD en astma(component)' bij:

  • relevante rookhistorie (> 20 jaar roken of > 15 pakjaren).

De astma component wordt eventueel ondersteund door de aanwezigheid van astma en allergische rhinitis in de voorgeschiedenis en/of door een positieve test op inhalatieallergenen.

Overwegingen. De irreversibel persisterende obstructie wordt vooral verklaard door de relevante rookhistorie (waarvoor een arbitrair afkappunt is gekozen van > 20 jaar roken of > 15 pakjaren) hetgeen het meest aansluit bij het pathofysiologisch profiel van COPD. Het beleid dient dan gericht te zijn op de aanpak van dit ziektebeeld. Daarnaast is behandeling met ICS bij een rokende astmapatiënt minder effectief en dient de behandeling zich primair te richten op stoppen met roken.

Het verdient aanbeveling boven omschreven patiënten met ICPC code COPD en de episode 'COPD en astmacomponent' die gestopt zijn met roken, de ICPC code en de episode aan te passen in respectievelijk ICPC code Astma en episode 'astma met COPD component' omdat bij hen de focus verschuift van stoppen met roken naar behandeling met ICS.

*Een toename van de FEV1 > 12 % van uitgangswaarde (of > 200 ml) kan bij een beperkt aantal patiënten met meer ernstig COPD ook voorkomen als gevolg van een vermindering van de hyperinflatie. Dit dient onderscheiden te worden van een astma-component.

Terug naar boven


Wat zijn de meest geschikte lijsten voor klachten en beperking om bij controles van astma en COPD te gebruiken?

De MRC, de CCQ en de MON-RIQ. Deze vindt u op de pagina "Voor de prakijk" van deze website. De daar genoemde lijsten zullen waarschijnlijk ook in de NHG-Standaard worden opgenomen.

Terug naar boven


Welke vragenlijst is goed bruikbaar voor casefinding (bij hoestende rokers) in de dagelijkse praktijk?

Een vragenlijst die goed bruikbaar is voor casefinding vindt u op de pagina "Voor de prakijk" van deze website.

Terug naar boven


Vraag over de vragenlijst case-finding COPD: Hoe komt het dat vraag 8: 'Hoest u gewoonlijk slijm (sputum) op zodra u 's morgens wakker wordt?' niet telt? En hoe komt het dat vraag 10: 'Hebt u last (gehad) van een of meer allergien? ook niet telt?

In het onderzoek dat in Aberdeen en Denver gedaan is, is de feitelijke obstructie bij mogelijke COPD patienten gecorreleerd aan verschillende vragen. De mate van associatie kun je berekenen in statistische modellen. Deze mate van associatie bepaalt het aantal punten wat iemand krijgt wanneer een bepaalde vraag met 'ja' of 'nee' beantwoord wordt. De meeste vragen die associeren met obstructie liggen voor de hand. Er zijn twee vragen en antwoorden die wel associeren met de mate van obstructie, maar op het eerste gezicht iets minder voor de hand lijken te liggen. Dat zijn de afwezigheid van atopie en de afwezigheid van slijm ophoesten in de ochtend. De aanwezigheid van atopie duidt eerder op astma dan op COPD, wat de verklaring kan zijn voor deze negatieve associatie. Het is onduidelijk wat de oorzaak is van de negatieve associatie met slijm ophoesten.

Terug naar boven